PMS-systeem
In het verleden zijn vele kleursystemen voor de drukker ontwikkeld. Bekende zijn bijvoorbeeld die van Mäser1 en Munsell.2 In ons land werd in de boekdruk een systeem toegepast op basis van de zgn. Genormaliseerde Kleurinkten: met 16 ‘norminkten’ kon de boekdrukker alle gewenste kleuren vervaardigen.3 Boekdrukinkten worden (vrijwel) niet meer gemaakt en de norminkten zijn niet meer verkrijgbaar. Wanneer een boekdrukker in de huidige tijd op een gesystematiseerde wijze kleuren wil mengen, zal hij uit moeten wijken naar systemen die momenteel in de offset gebruikt worden. Dat kan, want gelukkig blijken veel offsetinkten in de boekdruk goed bruikbaar te zijn.
De hedendaagse offsetdrukker staan diverse systemen ter beschikking.4 Sommige inktfabrikanten geven hun kleuren namen en stellen de drukker monsterboeken ter beschikking, anderen geven kleurenwaaiers uit. Een veel gebruikt systeem in de offsetindustrie is het PMS-systeem, een systeem waar de Koninklijke Van Son Inktfabrieken (‘Van Son’) de inkten voor maakt. Omdat ik veel met Van Son-inkten werk, ben ik dat systeem gaan gebruiken.
Al heel lang ben ik op zoek naar publicaties (handleidingen, beschrijvingen) van het PMS-systeem, maar het resultaat is teleurstellend.5 Met vallen en opstaan, luisterend naar wat drukkers mij vertelden en vooral door goed naar de kleurenwaaier te kijken, heb ik met het systeem om leren gaan. De hieronder volgende beschrijving is op die ervaringen gebaseerd. Om het systeem te begrijpen, is het goed eerst te weten welke kleurinkten (par. 7) er zijn en de kleurenwaaier (par. 8) te leren kennen.
Kleurinkten
PMS staat voor Pantone Matching System: een mengsysteem dat op basis van voorbeelden mengrecepten geeft om een bepaalde kleur inkt aan te maken. Bij het ontwikkelen van het systeem was een mengpatroon het uitgangspunt, niet het benaderen van vooraf vastgestelde kleuren. Men ging uit van basiskleuren: Geel, Warm Rood, Robijn Rood, Rhodamine Rood, Purper, Violet, Reflex Blauw, Process Blauw en Groen. Daarnaast zijn er ook nog Zwart (een speciaal mengzwart!) en Transparant Wit, totaal dus 11 basiskleuren die alle als ‘standaardinkt’ geleverd worden. Door stapsgewijs volgens het ontwikkelde patroon te mengen met een of meer van de basiskleuren, verkreeg men ‘nieuwe’ kleuren. Was een uitkomst niet helemaal gewenst, dan werd aan de mengverhouding iets gedaan totdat men een meer gewenst resultaat verkreeg. Sommige kleuren waren wel mooi, maar bleken niet voldoende lichtecht te zijn in gebruik. Naast de genoemde 11 basiskleuren heeft Pantone daarom nog eens vier extra basiskleuren vervaardigd, met een andere chemische samenstelling van de pigmenten. Die inkten zijn lichtechter, beter bestand tegen alkali en andere zaken (bv. vernis). Dat zijn de vier ‘echte’ kleuren: Pantone Geel 012, Pantone Oranje 021, Pantone rood 032 en Pantone blauw 072. Ook deze vier kleuren worden gebruikt voor de vastgestelde recepten. Dat is nog niet alles: Van Son levert nog een aantal inkten die niet in de recepten voorkomen.
Ten eerste Opaque Wit. Dit wit is het ouderwetse dekwit waarmee je kleuren kunt oplichten. Voor de boekdrukker die met offsetinkt werkt, is dit een belangrijke kleur (zie par. 9). Daarnaast biedt Pantone nóg andere kleurinkten: proceskleuren, fluorescerende en metallic kleuren. Om te beginnen de proceskleuren voor vierkleurendruk: Pantone Proces Geel, Proces Magenta (soort rose-rood), Proces Cyaan (soort lichtblauw) en Proces Zwart. Het Proces Cyaan moet niet verward worden met de basiskleur Proces Blauw dat voor mengen gebruikt wordt. Naast de vier proceskleuren, zijn er ook nog de Pantone Hexachrome Kleuren voor zeskleurendruk (geel, oranje, magenta, cyaan, groen en zwart). Dit zijn weer andere inkten dan die voor de vierkleurendruk.
Verder zijn er fluorescerende inkten, van die schreeuwerige kleuren die vooral toepassing vinden in de reclame: 801 blauw, 802 groen, 803 geel, 804 oranje, 805 rood, 806 magenta en 807 violet. Tot slot nog de metallic inkten. De gewone kleurenwaaier toont er 7 (871 t/m 877: van goud via brons naar zilver), maar de speciale metallic kleurenwaaier geeft er zelfs 204.
Pantone gaat dus niet uit van primaire kleuren (hoewel geel 012, rood 032 en blauw 072 daar veel van weg hebben) en spreekt ook niet over secundaire kleuren (oranje 021, groen, warm rood e.d.) of tertiaire kleuren. De Pantone kleuren worden gedefinieerd door een naam en/of een nummer. De basiskleuren hebben alleen een naam (de eerste 11 althans, de andere vier échte’ hebben een naam én nummer: bijvoorbeeld rood 032). Die basiskleuren geven de drukker de mogelijkheid om aan de hand van de recepten uit de huidige kleurenwaaier 1012 gedefinieerde kleuren in eigen werkplaats te mengen. Pantone mengt steeds verder en ‘vindt ook periodiek nieuwe kleuren uit’: die worden toegevoegd aan de eerstvolgende kleurenwaaier die dan uitkomt.
De kleurenwaaier
Pantone biedt over verschillende typen kleurenwaaiers. Ze zijn er voor duplexdruk, voor pastelkleuren, voor metallic en nog andere. Voor de boekdrukkende margedrukker is de ‘standaardwaaier’, de Pantone Color Formula Guide, van belang. Voor deze handleiding gebruikte ik de uitgave 1999-2000, Fifteenth Printing.
De kleurenwaaier is eigenlijk het receptenboek voor de drukker met voorbeelden van de kleuren die gemaakt kunnen worden. Het ‘boek’ is opgebouwd uit stroken met kleurvlakjes. De stroken zijn systematisch gevoegd in twee hoofdafdelingen, die ieder weer verder verdeeld zijn in onderafdelingen. De kleurvlakjes in de twee hoofdafdelingen zijn gecodeerd met de letters C (eerste hoofdafdeling) of U (tweede hoofdafdeling). De C staat voor Coated en daar worden de gestreken papieren mee bedoeld: elke strook in die hoofdafdeling is op gestreken (gecoat) papier uitgevoerd. De U staat voor Uncoated: de ongestreken papieren. Alle vermelde basis- en gemengde kleuren komen daarom twee keer voor, een keer op gestreken papier (bv. Pantone Warm Rood C) en een keer als ongestreken papier in de tweede afdeling (Pantone Warm Rood U). Het is opmerkelijk om te zien hoe dezelfde inkt verschillend uitwerkt op deze twee papiertypen.
Beide afdelingen van de waaier zijn identiek opgebouwd. De waaier begint (voorafgaand aan de afdelingen C en U) met wat algemene informatie, maar biedt daarna twee stroken met de basiskleuren en een strook met de vier en een met de zes proceskleuren. Dan volgt de eerste strook met mengkleuren. Beide hoofdafdelingen (C en U) zijn weer identiek onderverdeeld in onderafdelingen: de mengkleuren (van nr. 100-732), vervolgens vier stroken met Double Impression Colors (voorbeelden van het resultaat dat 2x drukken met dezelfde kleur geeft; daar zijn de populairste kleuren voor gekozen, zoals de basiskleuren geel en warm rood, maar ook de mengkleuren 130, 185 e.d.), een strook met 6 zwartgradaties met mengrecept en een strook met het resultaat van 2x drukken daarmee; vier stroken fluorescerende kleuren met mengvoorbeelden en 2x drukken en tenslotte een strook met de 7 metallic kleuren. Van de onderafdelingen is die van de mengkleuren voor ons het belangrijkste.
De mengkleuren van de kleurenwaaier
Deze onderafdeling telt totaal 134 stroken. Vrijwel alle stroken in de waaier geven 7 kleurvlakjes. Onder ieder vlakje staat de kleur gedefinieerd (naam en/of nummer), bijvoorbeeld: Pantone 100 C, het eerste vlakje bovenaan de eerste strook van de onderafdeling. Daarnaast staat het recept, in dit geval 1 pt (= part) Pantone Yellow en 31 pts (parts) Transp. Wt. (= Transparant Wit). Daarnaast staan de corresponderende percentages: 3.1 Pantone Yellow en 96,9 Pantone Transp. Wt. Zelf werk ik altijd met de eerste indicatie (‘pt’, zie verder par. 9). Precies in het midden staat Pantone Geel. Dat centrale vlakje biedt geen recept: het is een basiskleur. Boven dit vlakje staan drie mengkleuren op basis van Pantone Geel met Transparant Wit (voor het gemak laat ik verder het voorvoegsel Pantone weg). Onder het middelste vlakje vind je drie mengwaarden van geel met zwart.
Dat systeem wordt gehanteerd van nr. 100 t/m 732, waarbij het middelste vlakje steeds een basiskleur toont óf een afleiding daarvan. In dat geval vind je een recept dat één kleur minder biedt dan de andere zes op de strook. De tweede strook geeft bijvoorbeeld als centrale vlakje een gele mengkleur: nr. 109. Deze kleur is volgens het recept gemaakt van geel en warm rood in de gegeven mengverhouding. De drie kleuren erboven zijn doorgemengd met transparant wit: dat zijn dus de kleurtinten. De drie eronder zijn gemengd met zwart: dat zijn de gebroken gradaties. Deze systematiek gaat door tót de zesde strook: dan wordt robijnrood i.p.v. warm rood toegepast, daarna volgen weer twee stroken met warm rood als ‘centrale kleur’, vervolgens één met robijnrood en ten slotte nóg een met warm rood. Duidelijk is dat per strook de centrale kleur doorgemengd wordt in diverse stappen met één andere kleur, althans in deze onderafdeling. Daarna is de beurt aan mengingen rond Oranje 021. Ook die kleur wordt in een aantal varianten doorgemengd, totdat warm rood aan de beurt is, enz.
Op deze manier ontstaat een systematische verticale opbouw per strook (basiskleur, drie tintkleuren door menging met transparant wit erboven, drie gebroken kleuren door menging met zwart eronder). Maar er is ook een horizontale opbouw te vinden. De ‘centrale’ basiskleuren staan steeds in het midden (op een enkele, logische uitzondering na). Wanneer je de mengverhoudingen van de recepten op basis van de positie van het kleurvlakje vergelijkt, blijkt er een duidelijke regelmaat te zijn (het Pantone mengpatroon). Het bovenste vlakje van de eerste strook (geel) geeft bijvoorbeeld 1 : 31 als mengverhouding tussen basiskleur en transparant wit. Bij alle volgende basiskleuren blijkt het vlakje op die positie steeds verkregen te worden door dezelfde mengverhouding óf door de verhouding 1 : 15. Ook de andere mengstappen (andere posities) vertonen een duidelijk regelmatig patroon. Horizontaal vergeleken geven alle voorbeelden daarom een vergelijkbare intensiteit. Naar boven toe wordt de kleur dus in drie gradaties ‘opgelicht’, naar beneden toe in drie gradaties ‘gebroken’.
Maar het aantal mengingen varieert per basiskleur. Zo biedt groen 12 mengstroken van 7 elk (totaal dus 84-1= 83 groenvarianten naast de ‘centrale’ mengkleur), terwijl blauw 072 slechts twee stroken biedt (dus 13 varianten). De verdeling in de kleurenwaaier (zowel voor C als U) is als volgt:
| kleur | stroken | van nr. t/m nr. | |
| 1 | geel | 10 | 100 — 154 |
| 2 | oranje 021 | 6 | 1485 — 175 |
| 3 | warm rood | 2 | 76 — 1815 |
| 4 | rood 32 | 7 | 1767 — 216 |
| 5 | robijnrood | 2 | 217 — 229 |
| 6 | rhodamine rood | 4 | 230 — 249 |
| 7 | purper | 6 | 250 — 269 |
| 8 | violet | 4 | 2653 — 2766 |
| 9 | blauw 072 | 2 | 2707 — 2769 |
| 10 | reflex blauw | 6 | 277 — 3035 |
| 11 | proces blauw | 8 | 304 — 3308 |
| 12 | groen | 12 | 331 — 3995 |
| 13 | zwart | 7 | 400 — 447 |
Zwart geeft natuurlijk een ander beeld dan de voorgaande kleuren. Vanaf nummer 400 verschuift de positie van de ‘centrale’ kleur naar de onderste positie: alle zes varianten per strook daarboven zijn doorgemengd met Transparant Wit en, na de eerste strook die uitgaat van zuiver mengzwart (Pantone Zwart), steeds een zwart met een of twee basiskleuren: robijnrood, groen, reflex blauw (in twee verhoudingen), groen met warm rood en nog een keer groen met warm rood in een andere verhouding. Deze onderafdeling eindigt met nummer 447: zwart, opgelicht met warm rood en groen die een donkergrijze indruk geeft. Daarmee komen we op het gebied van grijs terecht.
Na de onderafdeling zwart volgt een kleine onderafdeling van vier stroken met twee grijsvarianten: warm grijs en koel grijs, mengingen van zwart en transparant wit met resp. Rood 032 en Blauw 072. Opmerkelijk is dat de getalsmatige opbouw bij de benoeming van de van de mengkleuren hier opgeschort wordt (zwart eindigt met 447 en nr. 448 volgt pas ná de grijssectie). Grijs heeft zijn eigen codering: de naam gevolgd door een eigen nummer, bijvoorbeeld warm grijs 8 (een menging van zwart, rood 032 en transparant wit) of koel grijs 3 (een menging van zwart, blauw 072 en transparant wit). Beide secties, warm en koel tellen 11 varianten. De koele varianten zijn allemaal doorgemengd op basis van zwart, transparant wit en blauw 072, warm grijs idem maar dan met rood 032.
Daarna gaat de waaier weer door met de oorspronkelijke nummering, maar er gebeurt iets opvallends: vanaf nr. 448 t/m nr. 5875 (totaal 35 stroken) zijn de kleurvlakken boven de ‘centrale’ mengkleur gebroken kleuren (dus doorgemengd met mengzwart) en staan onder de centrale kleur getinte varianten (dus doorgemengd met transparant wit). In veel gevallen zit in die onderafdeling de centrale mengkleur bovenin, maar die positie wisselt nogal eens. Vanaf nr. 600 t/m 732 (in het totaal 19 stroken) is het weer andersom: bovenin de getinte, onderin de gebroken varianten. Maar nu is er géén centrale mengkleur meer: alle varianten gaan uit van één basiskleur en worden doorgemengd met zwart en transparant wit. Per strook vind je dan voor alle vlakjes 3 of 4 kleuren in het recept.
Deze afdeling eindigt met nummer 732. Daarna volgen nog de eerder genoemde voorbeelden van double impression (2x) colors, fluorescerende kleuren en metallics. Dat zijn allemaal standaardkleuren die zo besteld kunnen worden: je vindt dus geen recepten meer in die afsluitende onderafdeling. Daarmee zijn we toegekomen aan de praktijk van het mengen.
Mengen in de praktijk
Voor mij zijn er drie zaken van belang bij het mengen: het mengen zelf, toevoegingen aan de inkt en kleurverschillen tussen inkt op de plaat en in druk.
Mengen is vooral rekenen en nauwkeurig werken. Je hebt in ieder geval een weegschaal nodig, b.v.k. een die tot 0,1 gram weegt als je alle recepten uit de kleurenwaaier zou willen maken. Dergelijke weegschalen zijn onmogelijk duur (rond de 1000 euro) dus die vind je in onze kringen niet zo gauw. Werkbaar zijn echter ook elektronische weegschalen die tot minimaal één gram wegen. Je kunt die kopen in kantoorvakhandel (prijzen ca. 65 à 125 euro). Steeds weer ben ik verbaasd hoe groot de ‘meetwaarde’ van één gram is: wanneer de weegschaal bv. 25 gram aangeeft, is het opmerkelijk hoeveel inkt je er bij moet doen of af moet halen voordat het getal verspringt. Mijn weegschaal knippert op grenswaarden en dat is een nauwkeurig ijkpunt. Dat knipperen doet ie precies bij de overgang naar een andere getalwaarde en daarmee beschik ik over een herhaalbaar en nauwkeurig meetmoment. Dat zijn bijvoorbeeld de grenswaarden: ‘net 25 gram’ òf ‘net géén 26 gram’. In de recepten van de kleurenwaaier houd ik die afwijking van de ‘gemiddelde waarde’ per menging constant.
De consequentie van een weegschaal tot één gram is dat voor diverse recepten de hoeveelheden nogal toe dreigen te nemen, wanneer bijvoorbeeld 1/8 pt aangegeven staat voor een kleur en 251 7/8 pt voor een andere (Pantone 635), maar daar is wel iets op te vinden. Een voorbeeld uit het grijze gebied: niet uit de warme en koele, gedefinieerde grijzen, maar een iets gebroken, getinte mengkleur: 427. Die kleur maak je volgens het recept uit:
Pantone 427:
5/8 pt zwart
3/8 pt reflex blauw
64 pt transparant wit
Dit recept geeft breuken en dan is het makkelijker werken wanneer je daar eerst een ongedeelde verhouding van maakt, want op zo’n eenvoudige weegschaal kun je alleen maar met hele grammen werken. De verhouding wordt dan: 5 : 3 : 512. Wanneer je voor ‘pt’ als waarde gram kiest, kun je aan de slag. Maar 512 gram is meteen een halve koker inkt. Met twee mengingen zou je al door je voorraad heen zijn en daarom maak ik in zo’n geval eerst een basismengsel van de kleine onderdelen zwart en reflex blauw (bijvoorbeeld 10 gram zwart en 6 gram reflex blauw, samen 16 gram). De verhouding van de twee kleuren samen met transparant wit is 1 : 64. Ik weeg dan eerst één gram af van mijn basismengsel (van die 16 gram) en deel die op het oog door de helft (moet wel, want mijn weegschaal gaat niet lager dan één gram). Die halve gram meng ik met 32 gram transparant wit. Dat geeft totaal 32,5 gram inkt. (Afhankelijk van de grootte van de oplage en aard en grootte van de vorm bereken ik de hoeveelheid die ik in een productie verwacht nodig te hebben.
Bij het doormengen van verschillende kleuren (vooral wanneer je niet volgens recept werkt) wordt aangeraden met de lichte kleuren te beginnen: het is eenvoudiger en vooral zuiniger om van licht naar donker te gaan, omdat een lichte kleur al snel verandert met een minimum aan zwart bv. Duidelijk kun je dat zien in de kleurenwaaier, bijvoorbeeld in de reeks 635-641. Het bovenste vlakje heeft 1/8 pt zwart, pas bij het zevende vlakje wordt de hoeveelheid zwart verhoogd van 1/8 naar 1/4 pt. De afname van transparant wit naar beneden toe is daarbij vergeleken astronomisch: van 251 3/8 ‘halveert’ die per stap en komt bij het vierde vlakje uit op 24 3/8 pt. Transparant doet weinig, een donkere kleur heeft veel effect. Dat heeft ook zo zijn voordelen: wanneer gemengde inkt in de inktbak op dreigt te gaan nog vóór de oplage klaar is, dan kun je transparant toevoegen en de oplage afmaken: dat ‘beetje’ heeft dan alleen effect op het volume, niet op de kleur.
Vaak ben je er niet wanneer je de kleur gemengd hebt. In een aantal gevallen zul je ook andere middelen aan de inkt toe moeten voegen (‘toevoegingen’), zoals drogers, tackverlagers, anti plukstoffen, drukolie e.d. De inktfabrikanten geven daarover informatie in hun brochures. Van belang in dit verband is het mengen van die veelal kleine hoeveelheden in de inkt. Optimaal effect krijg je wanneer je de toevoeging op de inktmengplaat doet, er steeds kleine hoeveelheden van de inkt aan toevoegt en dan steeds doormengt. Stap voor stap zit het middel dan door en door in de inkt. Het mengen zelf vraagt enige vaardigheid, maar die doe je snel genoeg op. Ik werk zelf altijd met twee inktmessen tegelijk op de plaat: met het eerste mes meng ik en met het tweede schraap ik steeds de inkt weg die aan het mengmes blijft hangen. Mengen kun je op een glasplaat doen, maar een (grotere) galei gaat ook uitstekend. Met een marmeren steen of een oude lithosteen ben je helemaal in stijl bezig (die stenen zijn goedkoop verkrijgbaar bij Polymetaal; zie www.polymetaal.nl).
Wanneer je eindelijk zover bent dat de inkt in de machine zit en je aan de gang wilt gaan, dan zijn de verrassingen nog niet voorbij. Alle goede voorzorgen en goede menging ten spijt leidt het voorgaande meestal niet tot exacte weergave van de vermelde kleur op de waaier. Ten eerste is er altijd verschil in kleur tussen het inktvoorbeeld op de waaier, de inkt op de plaat én de inkt in druk. Daar zijn verschillende, gedeeltelijk voorspelbare, oorzaken voor te geven. In ieder geval is de kleur op de plaat optisch nooit gelijk aan de kleur van het voorbeeld en ook nooit gelijk aan de impressie die de druk geeft. Dat is gewoon een gegeven. Kortom: de inkt op de plaat is hooguit indicatief, maar nooit maatgevend. Verschil tussen waaiervoorbeeld en druk kan liggen aan het papier: de kleurenwaaier is gedrukt op hoogwit papier en een tintverschil in papier werkt direct door in de kleur van de gedrukte inkt. Verder kan de waaier verouderd zijn (minder lichtecht in de loop der tijd, zodat jouw menging wel goed is, maar het voorbeeld niet meer). Ten slotte kun je je natuurlijk vergist hebben en bij het mengen een rekenfout gemaakt hebben of misschien zelfs een verkeerde kleur blauw of rood inkt gepakt hebben (is mij nogal eens overkomen).
Maar er is een ernstiger bron voor verschillen, die eigenlijk alleen te compenseren valt met wat vuistregels, ervaring en kleurgevoel. Wij werken met offsetinkten. Die inkten zijn intensiever gepigmenteerd dan de ouderwetse boekdrukinkten. Dat moet vanwege de vocht-inktbalans in het offsetproces (de offsetinkt is slapper dan de ouderwetse boekdrukinkt). Die hogere pigmentering kan gecompenseerd worden door oplichten van de inkt en daarvoor is het verstandig opaque wit te gebruiken. Als vuistregel geldt dat aan het ‘offsetmengsel’ (recept van de waaier) 50% opaque wit toegevoegd moet worden om in druk op waaierkleur te komen. Wanneer je dus 30 gram inktmengsel hebt, dan moet je daar nog eens 30 gram opaque wit aan toevoegen. Maar dit is geen wet van Meden en Perzen. Het kleureffect is mede afhankelijk van de kleur van het papier en hoe donkerder dat is, hoe meer opaque wit doorgemengd moet worden om de vereiste kleurwaarde te bereiken. Doormengen tot zelfs 75% is niet ongewoon. Dit aanpassen van offsetinkten aan boekdruk is een intuïtief gebied. De inktleveranciers hebben geen conversievoorbeelden voor de boekdrukker gemaakt, dus dat moeten we zelf doen (zie ook par. 4.3.3). Maar met wat gevoel en ervaring kun je met die 50%-vuistregel echter een heel eind komen.
Om te controleren of je ‘op kleur’ gekomen bent, zijn er twee praktische methoden: uittippen en uitstrijken. Je neemt wat inkt met een vingertop en tipt dat een aantal malen uit op een inschietvel voor de oplage. Je krijgt daarmee een indruk van de kleur. Dat lukte me nooit goed en vaak wordt bij mij dan alles smerig. Daarom strijk ik liever met een inktmes een weinig uit op een velletje inschiet. Dat bevalt me aanzienlijk beter, maar ook dat is niet meer dan een indruk (maar wel beter dan uittippen). Pas in druk blijkt de waarheid. Ik hoop voor je dat je daarmee veel resultaat mee boekt.
Tot slot: inkt in kokers
Inkt in kokers is een innovatie uit het midden van de jaren negentig. Diverse inktfabrikanten leveren ze. Van Son verkoopt alleen de universele Quickson inkten in die verpakking. Van Son maakt veel meer inkttypen, zoals ‘Rubberbase’, een inkt voor ongestreken papieren die veel margedrukkers gebruiken, maar de andere inkten worden uitsluitend in bussen geleverd. Niet uitgesloten wordt dat op (langere) termijn andere inkten, zoals Meg-a-Magic (plantaardige inkten, d.w.z. op lijnoliebasis) ook in kokers geleverd gaan worden. Helaas wordt opaque wit niet meer in kokers geleverd: er is in de markt te weinig vraag naar die inkt om die ook in kokers te leveren. Die inkt moeten we dus uit bussen blijven halen.
Rest mij de inktspuitbezitter minstens evenveel gemak en net zoveel plezier toe te wensen als ik zelf in de loop der tijd ondervonden heb. Mocht je naar aanleiding van dit alles je meer willen verdiepen in dit fascinerende terrein van kleur & inkt, dan bieden oude vakboeken stof om van te genieten.6 Maar je kunt lezen en studeren wat je wilt: het span inkt & kleur blijft een verrassend gebied, waarin je naast kennisvergaring, vooral zélf ontdekkingen moet doen: mengen, mengen en nog eens mengen en dan, als het kan, vooral heel veel drukken. Succes!
Gerard Post van der Molen
Noten
1. Mäser’s Farbenlehre für Buchdrucker. Auf Grund langjähriger praktischer Erfahrungen zusammengestellt. Leipzig, Verlag von Julius Mäser. z.j. (rond de eeuwwisseling 19e/20ste eeuw).
2. A.H. Munsell: A Color Notation. Illustrated system defining all colors & their relations by measured scales of Hue, Value, and Chroma made in the Solid Paint for the Accompanying Color Atlas. Boston, Geo. H. Ellis Co., 1916. De Strathmore Paper Company gaf op basis van Munsell’s systeem een prachtige ‘kleurengrammatica’ voor de boekdrukker uit: T.M. Cleland: A Grammar of Color. Arrangements of Strathmore Papers [...]. Mittineague, Mass., The Strathmore Paper Company, 1921.
3. Voor meer informatie zie: C. de Groen: Druktechniek II, Hoorn, Uitgeversbedrijf Edecea, 1950 en C. de Groen: Kleurengids. Hoorn, Uitgeversbedrijf Edecea, z.j. (ná 1950).
4. Zie: Kleur & Kwaliteit. Deel 1: Licht en Kleur. Amsterdam, Tetterode [1998].
5. Uiteindelijk beschik ik over twee Pantone-brochures: Pantone. The Global language of color. Pantone Inc., Folkestone, 1993 en Ontwikkelingen in kleur. Letraset Nederland BV, Capelle a/d IJssel, z.j. Deze brochures geven wel productinformatie, maar geen systeeminformatie. Er schijnen wel systeembeschrijvingen te zijn, maar die boeken zouden bijzonder kostbaar zijn. Ik heb ze nog niet aangetroffen.
6. Hoewel deels verouderd, heb ik veel gehad aan: Arend Buys: Kleur en inkt. Verhandeling voor den boekdrukker over het ontstaan, de harmonie en keuze der kleuren, de samenstelling en het gebruik van inkt. Amsterdam, N.V. Drukkerij De Nieuwe Tijd, 1920. Ook informatief is: T.J.W. Blaauw: Kleurenleer en Kleurendruk. Hoorn, Uitgeversbedrijf Edecea, z.j. (begin jaren vijftig?).
Overgenomen uit Tot de laatste bout, 2000

Pantone heeft het PMS-systeem onlangs sterk verbeterd en daarnaast een nieuw systeem voor de industriële productie van huisstijldrukwerk en verpakkingen gemaakt.
Dat laatste systeem heet Pantone Goe en werkt met minder basiskleuren, kent meer kleuren (ruim 2000) en wordt altijd in dezelfde inktlaagdikte gedrukt. Voor de huidige snelle offsetrotatie- en vellenoffsetmachines is dat nodig.
Het nieuwe Pantone PMS Plus systeem kent ruim 1100 kleuren en is volgens de tegenwoordig door drukkers gehanteerde ISO 12647 standaards vervaardigd. Ik schreef onlangs 3 verschillende artikelen voor Graficus (blad voor drukkers), Publish (voor ontwerpers en DTP-ers) en PrintMatters (blad voor o.a. drukwerkinkopers) over dat onderwerp. Wie interesse heeft in de PDF-bestanden daarvan, laat het mij weten.
Een echte digitale PMS weeg/mengschaal werkt met het ingeven van het benodigde aantal grammen van de te wensen kleur, dan ingeven PMS nummer, daarna geeft hij steeds aan hoevel gewicht je moet toevoegen van welke PMS standaardkleur.
Je kan hem voor een redelijk bod van mij overnemen. Mail maar dan stuur ik een fotootje
Karel Gaarenstroom