Mislukking Nederlandse boekdruksnelpers
De Nederlandse machinenijverheid was zwak op het gebied van de productiemachines. Ondanks enkele gunstige uitzonderingen slaagde men in het algemeen er niet in om op dit terrein veel vaste voet te verkrijgen, als het al geprobeerd werd. Op sommige terreinen waar Nederlandse bedrijven wel een redelijke positie innamen werden ze zelfs verdrongen door de buitenlandse concurrenten.
Enkele mogelijke oorzaken:
– de geringe omvang van de binnenlandse markt
– de schaalvoordelen voor buitenlandse producenten
– de voorsprong op technisch en commercieel gebied van buitenlandse machinefabrieken op veel terreinen
– de voorkeur van Nederlandse ondernemingen of buitenlandse bedrijven actief in Nederland voor buitenlandse producten.
Toch biedt deze reeks van factoren in lang niet alle gevallen een afdoende verklaring. Per markt is een nadere analyse noodzakelijk. Het gaat om kapitaalgoederen die in de tweede helft van de 19e eeuw in Nederland geïntroduceerd werden en hier in vrij grote mate toepassing vonden.
De boekdruksnelpers is interessant omdat het hier om een mislukking ging, in die zin dat de vervaardiging in Nederland niet van de grond is gekomen. Dit ondanks dat er een uitgebreide grafische nijverheid bestond, de markt voor snelpersen vrij omvangrijk was en het land twee producenten van handdrukpersen telde die ervaring op de markt van boekdrukpersen hadden.
De introductie en verspreiding verliep als volgt: de eerste machines waren import, waarna er pogingen gedaan werden om ook in Nederland dergelijke producten te maken. De uitkomst in het geval van de boekdruksnelpers kwam hoogstwaarschijnlijk niet eens tot een product van Nederlands makelij. De aandacht gaat allereerst uit naar de technische ontwikkeling van de verschillende machines, de octrooien en de vervaardiging en de toepassing in het buitenland. Ook wordt gekeken naar:
– de inhoud en de concurrentie van bestaande of alternatieve technieken
– de introductie van deze nieuwe machines in Nederland
– wanneer vond de introductie van de nieuwe technieken in Nederland plaats
– wie waren de eerste gebruikers
– welke waren de belangrijkste toepassingen
Speciale aandacht gaat uit naar de specifieke Nederlandse omstandigheden die van invloed waren op de introductie en verspreiding van deze nieuwe machines.
De rol van de Nederlandse machinenijverheid wordt onder de loupe genomen:
– Wanneer verscheen deze ten tonele
– Wat was de aard en omvang van haar bijdrage
– Waar haalde zij de productiekennis vandaan
– Wat was de kwaliteit van haar product
Door vergelijking van de verschillende factoren die een rol hebben gespeeld hopen we wat naders over de Nederlandse machinenijverheid en haar rol in het industrialisatieproces van Nederland te kunnen zeggen.

De boekdruksnelpers
De voorgeschiedenis
In de periode 1850-1870 vond in Nederland, evenals in andere landen, in het grafisch bedrijf de introductie plaats van de zogenaamde snelpers. In de periode daarvoor werden voor het afdrukken van gezette teksten persen gebruikt die slechts een afdruk per arbeidsgang produceerden. Het principe van de boekdrukkunst, losse gegoten letters tot teksten gevormd en ingeinkt onder druk tot een afdruk gebracht, bleef eeuwenlang bestaan. Wel werden er in de loop der eeuwen verschillende verbeteringen aan de boekdrukpers aangebracht, zoals begin 17e eeuw een metalen schroef.
Eind 18e eeuw kwamen er geheel ijzeren persen op de markt en werd de schroefdruk vervangen door een hefboom. De bediening van deze ijzeren persen was echter nog geheel handwerk. Het ininkten van de drukvorm, het in- en uit- leggen van het papier en het afdrukken gebeurde met handkracht.
In die periode werden er pogingen ondernomen om persen te ontwikkelen waarbij deze handelingen gemechaniseerd waren. De Duitse boekdrukker Friedrich König en de Duitse fijnmechanicus Andreas Bauer slaagden er rond 1810 in een bruikbare mechanische pers te construeren. In 1814 kwamen zij met een cylinderpers. De afdruk geschiedde door middel van een cilinder die het papier tegen een heen en weergaande vlakke drukvorm drukte, die door een walswerk was ingeïnkt. De afdruk verliep streepsgewijze, in tegenstelling tot het toenmalige handdrukprocedé, waarbij de afdruk in één keer in zijn geheel tot stand kwam. De benodigde drukkracht was bij de cylinderpers geringer en een veel grotere druksnelheid was mogelijk, vandaar de benaming van snelpers.
De eerste snelpersen vonden slechts in beperkte mate toepassing. Zij waren moeilijk te bedienen, niet geschikt voor het fijnere werk en niet rendabel bij kleine oplagen. Het gebruik bleef beperkt tot kranten en tijdschriften. Rond het midden van de eeuw waren er snelpersen ontwikkeld voor kleinere formaten, die ook bij kleinere oplagen rendabel waren en makkelijk te bedienen waren. Rond 1840 kwamen er, met name in Duitsland, naast König & Bauer een aantal bedrijven op die zich ook met de productie van snelpersen bezighielden en daarbij hun eigen systemen ontwikkelden. Een groot deel van de oprichters en technische leiders van deze nieuwe bedrijven waren eerder bij König & Bauer werkzaam geweest!
De invoering in Nederland
De eerste drukmachines in Nederland dienden, evenals in het buitenland, voor het drukken van grote oplages, zoals kranten. In 1828 schafte de firma Enschede een tweetal König & Bauer-persen aan voor het drukken van de Oprechte Haarlemmer Courant, in 1846 gevolgd door een derde pers. In 1838 en 1846 kocht de firma Spin te Amsterdam een soortgelijke pers voor het drukken van het Algemeen Handelsblad. Voor 1853 zijn er in Nederland zeven van dergelijke grotere snelpersen geïnstalleerd.
Al vrij spoedig nadat de kleinere boekdruksnelpersen op de markt waren gingen Nederlandse drukkerijen daarop over. Omstreeks 1856 waren er zeker twintig boekdruksnelpersen in Nederlandse drukkerijen geïnstalleerd. Tien jaar later waren er minstens 75 snelpersen in Nederland in bedrijf. Handpersen bleven daarnaast nog lang in gebruik. Deze dienden vooral voor het kleine werk of waren in gebruik in drukkerijen die de omschakeling financieel of technisch niet konden of wilden maken.
De invoering van de snelpers vergde een hele omschakeling voor zowel meester als gezellen. De bedreiging van de ambachtelijke kennis en al of niet gefundeerde vooroordelen over de drukkwaliteit waren argumenten die gebruikt werden om ze — vaak slechts tijdelijk — tegen te houden. Daarnaast vormde de hoge aanschafprijs een belemmering, hoewel deze investering. door de veel lagere kostprijs per vel druks — ongeveer 1/3 minder –, in vrij korte tijd terug te verdienen viel. Maar een grote productie is daarvoor wel een vereiste. Zo installeerde de Maastrichtse drukker Gustav Lensen in 1855 een snelpers in zijn bedrijf. Vier jaar later bood hij deze pers, z.g.a.n., aan. De Limburgse markt was, volgens zijn zeggen, te gering van omvang om de pers rendabel te laten draaien.
Nog geruime tijd werden de snelpersen voornamelijk met handkracht aangedreven, door middel van grote vliegwielen. Pas in de jaren ’60 schakelden de eerste drukkerijen over op stoomkracht. De Arnhemse drukker G. J. Thieme schafte in 1852 als eerste drukkersbedrijf in Nederland een stoominstallatie aan. Na enkele jaren werd deze installatie echter opgedoekt. In 1861 liet hij opnieuw een stoominstallatie, een locomobiel, in zijn drukkerij plaatsen. Het bedrijf beschikte toen al over vier snelpersen.
Uit het archief van de Leidse drukker en uitgever Sijthoff krijgen we een indruk van de problemen die speelden bij de invoering van de snelpers. Sijthoff schafte bij de oprichting van zijn eigen drukkerij, in 1852, onder andere een tweedehandse snelpers aan via de drukker en grafische machinehandelaar P.M. van Cleef pzn. Blijkbaar beviel de pers niet, want iets meer dan een jaar na de installatie benaderde Sijthoff de twee belangrijkste snelpersfabrikanten in Duitsland met een voorstel om de oude machine met bijbetaling te ruilen tegen een nieuwe machine. Ondanks de vertaal- en leesproblemen (de firma Reichenbach vraagt om voortaan in het Duits, Frans of Engels te corresponderen en König & Bauer klacht over de zeer ‘fluchtigen’ schrijfstijl), deden beide bedrijven aanbiedingen. De inruil kwam na enigszins moeizame onderhandelingen tot stand. De oude pers van Sijthoff die naar Madrid werd verstuurd, bleek niet, zoals opgegeven, een Cowperpers van Britse makelij te zijn, maar een oude Franse ‘schnurmachine’. Er ontbraken daarbij nog een behoorlijk aantal onderdelen en stukken waren kapot of gebroken. Pas in 1856 werd de machine geaccepteerd door de nieuwe eigenaar en betaald.
De installatie van de eerste snelpersen van Reichenbach vergde ook de nodige organisatie. De chefmonteur van Reichenbach, Albert, kwam van Augsburg naar Sijthoff over tegen betaling van reiskosten en een weekgeld van f 14,-. Enige tijd na installatie bleek de machine houtsneden niet goed af te drukken. A. W. Reichenbach en Maschinenmeister Albert waren bij de leverancier de enigen die ervaring hadden op dit terrein, maar beiden konden voorlopig niet gemist worden. Om toch in het probleem te voorzien, raadden zij een drukker te Leipzig aan die wel naar Leiden wilde komen voor f 10,- per week. Dit bedrag lag boven het weekloon van de meesterknecht L. van Nifterik die in 1852 bij Sijthoff in dienst was genomen. Sijthoff werd vertegenwoordiger voor Nederland van de Reichenbachse machinefabriek. Voor de montage was de eerste jaren nog altijd de overkomst van Albert nodig. Ook bij de introductie van nieuwe modellen, zoals de persen met krukdrijfstangbeweging die op een tentoonstelling te Haarlem in 1856 gepresenteerd werden, kwam Albert over. Enkele jaren later beschikte de machinemeester in dienst van Sijthoff, Factor, over voldoende ervaring om de machines bestemd voor Nederland te kunnen stellen. Dat hield wel in dat Sijthoff voor zijn eigen bedrijf voor de duur van de montagetochten voor een tijdelijke vervanger moest zorgen.
De producenten van boekdrukpersen in Nederland
Voor 1837 waren er in Nederland, voor zover bekend, geen producenten van moderne ijzeren boekdrukpersen. Wel zijn er twee octrooien, uit 1823 en 1829, van Nederlanders op het gebied van drukpersen. Het gaat daarbij echter vermoedelijk om verbeteringen aan houten handpersen. De meeste ijzeren persen die in Nederland werden ingevoerd waren afkomstig uit België. Na de afscheiding van België ging een enkele Belgische firma over naar Nederland. De Brusselse fabrikant van ijzeren boekdrukpersen L. Gouy vestigde in 1837 zijn bedrijf te Den Haag. Enkele jaren daarna werd zijn bedrijf overgenomen door de Hagenaar H.P. Hotz. Naast Hotz startte omstreeks 1840 de Amsterdamse timmerman en smid G. van Heerde met de fabricage van ijzeren handdrukpersen. Beide fabrikanten stonden met ijzeren handdrukpersen op de algemene Typografische Tentoonstelling te Haarlem ter gelegenheid van de Coster-feesten in 1856. Verder is er een boekdrukpers bekend van de firma Nederburgh, Nering Bögel en Comp. te Deventer, uit 1840. Maar er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een verdere productie op dit gebied door dit bedrijf. Naast de genoemde bedrijven waren er vermoedelijk nog andere ondernemingen in Nederland die zich met de vervaardiging van boekdrukpersen bezighielden, zij het op kleine schaal.
Op de genoemde tentoonstelling te Haarlem bleek de achterstand van de Nederlandse producenten ten opzichte van het buitenland. Er stonden ook twee ijzeren snelpersen, van twee Duitse firma’s, de firma Klein, Forst & Bohn, vertegenwoordigd door G.J. Thieme te Arnhem, en de Reichenbachse Maschinenfabrik. vertegenwoordigd door A.W. Sijthoff te Leiden.
Hoe reageerden de Nederlandse producenten op de introductie van de buitenlandse snelpersen? Het bedrijf van Hotz staakte al gauw de vervaardiging van de handdrukpersen, vermoedelijk mede vanwege de snel teruglopende vraag. Met de vervaardiging van snelpersen liet het bedrijf zich niet in. Van Heerde deed omstreeks 1857 wel een kortstondige poging, die — voor zover bekend – niet heeft geleld tot een gereed eindprodukt. In 1857 kreeg hij tijdelijk de snelpers op de stads drukkerij van Amsterdam in bruikleen, een eigendom van Frederik Muller. Verder kon Van Heerde beschikken over de eerdere ervaring die hij had opgedaan met de installatie van snelpersen, zoals bij Sijthoff in 1852. Vrij kort na 1857 staakte Van Heerde vermoedelijk de fabricage van persen. In 1860 exposeerde hij op een tentoonstelling slechts een product dat hij van oudsher al vervaardigde, een fornuis.
Van Heerde en Hotz waren de twee enige producenten van handboekdrukpersen in ons land. Daarnaast is er vermoedelijk nog een enkel Nederlands bedrijf geweest dat zich als nieuwkomer op de markt van snelpersen begaf. Het Haarlemse metaalbewerkingsbedrijf de fa. Doedens en Jacobs, vanaf 1864 voortgezet als W.H. Jacobs, vervaardigde, volgens een vermelding uit 1856, snelpersen. Op de Wereldtentoonstelling te Wenen, in 1873, exposeerde het bedrijf een boekdrukreliëfpers, geen snelpers dus.
Van andere Nederlandse bedrijven die zich met de vervaardiging van grafische materialen bezighielden waren er echter geen initiatieven op het gebied van de vervaardiging van snelpersen. Zo leverde het Amsterdamse bedrijf van J.H.W. Berges (later Berges, Bk. Jonker en Zoon en in 1877 Bk. Jonker en Zoon) bijvoorbeeld omstreeks 1860 proef- en steenpersen en later ook nog vouw- en snijmachines, maar geen (boekdruk)snelpersen. De Zwolse ijzergieterij GJ. Wispelwey & Co., een ander Nederlands bedrijf dat een steendrukpers vervaardigde, lijkt zich slechts incidenteel met dit produkt bezig gehouden te hebben. En de snelpers die de Zaltbommelse drukkerij Johs. Kuhn op de in 1881 gehouden tentoonstelling van hulpmiddelen voor den boekhandel tentoonstelde was vermoedelijk geen eigen product van deze drukkerij. De pers kwam in ieder geval niet voor bekroning in aanmerking.
Overgenomen uit: In het rijk van de Nederlandse Vulcanus; Hoofdstuk 7
De Nederlandse machinenijverheid 1825 – 1914
W.H.P.M. van Hooff
NEHA Series III / ISBN 90-71617-22-X
